Belastingambtenaar in Dieteren

Welkom bij "Historie" - Dieteren,

Er bestaat verschil tussen
kippen en kinderen!

Wat gebeurt, als belastingambtenaar
het dialect van Dieteren niet verstaat

Door de schilderachtige straten van het dorp Dieteren, dat men de tweelingbroer van Susteren zou kunnen noemen, drentelde een belastingambtenaar. Onder een glimmende bolhoed had zich een knijpbril aan 's mans neus vastgehecht. Zijn linkerarm omklemde een lichtgele, indrukwekkende actentas. Met de rechterhand steunde hij op een wandelstok, waarmede hij zich - voorwaarts schuivende - wankelend staande hield op het glibberig-gladde sneeuwplaveisel.
Toen hij het doel van zijn tocht bereikt had, ging de belastingambtenaar aan een huisbel hangen. Het rinkinken van de bel haalde een nijvere Dieterse huismoeder van achter een fornuis vol pannen vandaan. Zij opende de voordeur en ook haar mond, om te vragen naar het hoe en waarom? „Laat niet alle hoop varen als ik binnen treed”, sprak de vreemdeling, nadat hij zich bekend had gemaakt en in zijn ogen tintelde een humoristische glimlach. Hij zette zich in de mooie kamer breed-uit op het rode fluweel van een ouderwetse, mahonie-houten leunstoel, knipte zijn actentas open, haalde omstandig een stapel paperassen tevoorschijn en onderwierp de huismoeder - bij afwezigheid van haar heer gemaal - aan een minzaam kruisverhoor. De Dieterse sprak echter het schone dialect van haar dorp, terwijl de belastingman, kersvers uit het boven-Moerdijkse in de Limburgse bodem overgeplant, slechts de gangbare Nederlandse spreektaal machtig was. Dit maakte er het gesprek niet gemakkelijker op, maar door wederzijdse goede wil begrepen beide partijen toch steeds elkanders bedoeling. Tot de meneer met z'n “Holles”, dat hij bovendien vrij vlug en dus nogal onduidelijk sprak, de actuele vraag stelde: „En mevrouw, hoeveel kinderen heeft U?”. „Och hieer, det zeen ters nog mer ei paar. Dao höb ich dit jaor sjrikkelikke pech mit gehad”, luidde het trieste aantwoord.
„Zo, zo”, hoofdschudde de ambtenaar-in-functie meewarig, „ziekte?” „Nei, krank zeen ze apaart neet gewaes. Det is nog goot gegange, ondanks det de vogelpes zoa sjrikkelijk haet hoes gehawte dit jaor. Mer dit vreugjaor zeen ters mig ei paar kepot gevraore en drie zeen ters mig onger eine auto gekomme. Het trupke is noe klein gewore en dao lek op het ougeblik gein van”.
De ogen van de belastingman werden grille vraagtekens van stomme verbazing. Hij begreep er niets meer van. Was de vrouw, die daar tegenover hem zat, wel volkomen normaal? Hij begon zich niet op zijn gemak te voelen en wierp onwillekeurig een steelse blik in de richting van de kamerdeur. „Dood gevroren en onder een auto gekomen?”, hakkelde hij, nogal zenuwachtig.
„Jao, affeng, zoa eine trop wilt oug verzorg waere, die vraete dig oug get op”, vervolgde de Dieterse huismoeder doodbedaard en nog steeds volkomen op haar gemak.
Troep? Vreten?.... flitste het door 't brein van de ambtenaar. Voor het eerst besloop hem de twijfel, of hij het vrouwtje wel goed begrepen had. Die zat zich inmiddels ook al af te vragen, wat de meneer tegenover haar had. Hij deed plotseling zo vreemd! En om zich zekerheid te verschaffen, polste zij: „Jeh, geer meint toch de hoonder woart, de kippen?”
Het gelaat van de bezoeker werd een studie waard. Eindelijk snapte hij het Hij haalde diep adem en dan daverde zijn lach door de plechtige rust van de mooie kamer. „Ha, ha, ha, kippen! Ik sprak niet over uw kippen. Ik vroeg U, hoeveel kinderen U had?”.

Bron: Maas en Roerbode 22 december 1950.





Webmaster info@deetere.nl